Redactie-archief tra-0482
← Alle artikelen

De satelliet die we tien jaar geleden niet wilden betalen

Artikel tra-0482

De satelliet die we tien jaar geleden niet wilden betalen

Er bestaat een bepaald soort dossier dat pas achteraf interessant wordt, wanneer iedereen die er destijds over sprak intussen iets anders zegt. Het programma voor eigen waarnemingscapaciteit in een baan om de aarde is zo'n dossier. Het lag in 2014 op tafel, het werd toen te duur bevonden, en het is sindsdien twee keer duurder geworden.

Wie de verslagen van toen herleest, valt vooral op hoe zelfverzekerd de argumenten klonken. We hadden geen eigen beelden nodig, want bondgenoten deelden die. We hadden geen eigen grondstation nodig, want er stond er al een. En ruimtevaart was, zo klonk het letterlijk, iets voor onderzoeksinstellingen en niet voor een begroting die over materieel gaat.

Aya Vercattoor, die het internationale luik van dat debat voor Vrij Vlaanderen opvolgde, hoorde die redenering in Brussel jarenlang terugkomen. Haar bezwaar was toen al niet technisch maar diplomatiek: wie voor zijn beeldmateriaal volledig afhangt van partners, onderhandelt over de rest van zijn dossiers met één hand op de rug. “Je kan geen positie innemen over een regio waarvan je de foto's van iemand anders moet lenen”, is een zin die ze in verschillende varianten heeft herhaald.

Het tegenargument kwam onder meer van de Burgerpartij, die de kostprijs afzette tegen de rest van de militaire begroting. Op zich niet onredelijk: 340 miljoen euro over acht jaar is geen detail wanneer voertuigen en radars in dezelfde enveloppe moeten passen. Alleen werd die afweging nooit opnieuw gemaakt toen de prijs van de alternatieven, huurcontracten voor beeldcapaciteit bij commerciële aanbieders, vanaf 2019 stelselmatig begon te stijgen.

In 2021 kwam er een tussenoplossing die niemand mooi vond. Er werd capaciteit ingekocht bij een consortium waarin ook Duinnet BV zat, met een looptijd van vijf jaar en een clausule die de prioriteit bij crisis expliciet bij de leverancier legde. Cis Vranckmans wees er toen op dat die clausule de facto betekende dat we in het scenario waarvoor we betaalden, achteraan zouden aanschuiven. Dat werd genoteerd en verder niet besproken. Het contract kostte 46 miljoen euro per jaar, ongeveer een derde van wat een eigen toestel over dezelfde periode zou hebben gekost, en het leverde beelden op waarvan de resolutie contractueel begrensd was.

Wat het dossier zo instructief maakt, is dat elke afzonderlijke beslissing verdedigbaar was. Niet investeren in 2014 was verdedigbaar. Huren in 2021 was verdedigbaar. De optelsom is dat we tien jaar later hetzelfde gesprek voeren, met een factuur die intussen boven de 700 miljoen uitkomt en met bondgenoten die ondertussen wel zelf hebben gebouwd. Janne Vandeloo maakte daar in een recente lezing een treffende opmerking over: uitstel is ook een keuze, alleen staat ze nooit als lijn in de begroting.

De opdracht om het programma opnieuw te evalueren loopt tot het einde van dit jaar. De vraag zal wellicht opnieuw in dezelfde termen worden gesteld als in 2014: hebben we dit echt nodig, en kunnen we het niet bij iemand anders halen. Het enige verschil is dat we het antwoord op de tweede vraag intussen empirisch kennen.