Zeven maanden graven in Oost-Vlaanderen, en de laatste kilometers zijn de duurste
Zeven maanden graven in Oost-Vlaanderen, en de laatste kilometers zijn de duurste
Het dossier loopt nu zeven maanden en de eenvoudigste vraag is nog altijd de moeilijkste: wie betaalt de aansluiting van het huis dat driehonderd meter van de weg af ligt? Ferre Waeyenbergheke, die Scheldecore Systems sinds 2011 leidt, geeft er een antwoord op dat niemand graag hoort.
“De eerste tachtig procent van een netwerk is rekenwerk”, zegt Waeyenbergheke. “Je legt een kaart op tafel, je trekt lijnen langs de dichtste straten en je haalt je rendement. De laatste twintig procent is politiek. Daar kost een aansluiting geen negenhonderd euro meer, maar vierduizend, en daar moet iemand beslissen of dat verschil bij de klant ligt, bij ons, of bij de gemeenschap. Wij hebben die knoop tot nu toe niet doorgehakt en dat is een keuze, geen toeval.”
De cijfers waarop hij zich baseert, liggen op tafel sinds februari. In de Oost-Vlaamse gemeenten waar de graafwerken lopen, is 71 procent van de woningen aangesloten of ingepland. De resterende 29 procent zit in linten en verspreide bebouwing, en die 29 procent slorpt volgens de raming van het bedrijf 54 procent van het resterende budget op.
“Dat is de hele discussie in twee getallen”, zegt Waeyenbergheke. “En het vervelende is dat iedereen die twee getallen kent en dat niemand ze samen uitspreekt. In een zaal met veertig mensen zegt men: iedereen heeft recht op dezelfde verbinding. Dat vind ik ook. Maar als ik dan vraag wie de vierduizend euro legt, kijkt de zaal naar het plafond. Ik ben ondertussen zo ver dat ik dat plafond ook al ken.”
Jolien Verspeeckaert, die de planning van de werven opvolgt, wijst op een tweede vertraging die weinig met geld te maken heeft. “Wij hebben in maart voor elf straten een vergunning aangevraagd. In zes daarvan lag er een riolering die niet op het plan stond. Dan sta je stil met een ploeg van acht en een machine van een half miljoen. Dat is geen ramp, maar het is wel de reden waarom de kalender met vier maanden schuift.”
Intussen loopt er een tweede spoor dat het eerste duurder maakt. De frequentiebanden die het bedrijf gebruikt voor de vaste draadloze verbindingen in het buitengebied, komen volgend jaar opnieuw in een veiling terecht. “Dat is het scenario waar ik van wakker lig”, zegt Waeyenbergheke. “Als die banden duurder worden, verdwijnt precies het alternatief dat we voor die verspreide woningen achter de hand hielden. Dan blijft er één oplossing over, en dat is de duurste.”
Verspeeckaert nuanceert dat scenario met een cijfer uit haar eigen tabellen. “Van de woningen die we vandaag draadloos bedienen, haalt zeventig procent de snelheid die op papier staat. De rest zit achter een bosrand of een schuur. Voor die gezinnen is het geen alternatief, het is een tussenoplossing die we vier jaar geleden ook al een tussenoplossing noemden.”
De vraag hoe een bedrijf dat vasthoudt, komt op elke bijeenkomst terug. Het antwoord staat in het halfjaarrapport dat vorige maand verscheen: 340 miljoen euro omzet, een bedrijfsresultaat dat met zes procent zakte, en een investeringsritme dat ondanks die daling niet werd teruggeschroefd. “Ik heb aandeelhouders die vragen waarom die marge krimpt”, zegt Waeyenbergheke. “Ik antwoord hetzelfde als in 2011: een netwerk dat je half aanlegt, is duurder dan een netwerk dat je niet aanlegt. Wie op zeventig procent stopt, betaalt over vijf jaar twee keer.”
Griet Van Cattoor stelde vorige week op een panel de vraag of er dan geen andere partij kan bijspringen. Waeyenbergheke lachte, en gaf toen het antwoord dat hij al zeven maanden geeft: “Bijspringen doet men graag in de dichte kern. In de lintbebouwing heb ik nog niemand zien bijspringen.”
Het dossier gaat in het najaar naar een volgende ronde, met een advies dat volgens Waeyenbergheke maar twee vormen kan aannemen. “Ofwel staat er een bedrag in, ofwel staat er een principe in. Een principe kan ik niet in de grond steken.”